In de tweede helft van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20ste eeuw veranderde er heel veel in de Nederlandse zuivelproductie. Oorspronkelijk werden koeien met de hand gemolken en werd de melk op de boerderij verwerkt tot boter en andere zuivel. In 1879 ontstaan de eerste zuivelfabrieken die boter en kaas produceren. Melk werd van boerderijen aangevoerd in melkbussen en in de fabrieken hygiënisch verwerkt tot boter, kaas en andere zuivelproducten.
Belangrijke ontwikkelingen in de zuivel:
1879: eerste Zuivelfabriek. Zuivel wordt steeds meer gemaakt in fabrieken in plaats van op de boerderij.
1912: eerste melkmachines. Automatisch melken maakt een veel grotere melkproductie mogelijk.
1916: verplichte pasteurisatie in fabrieken. De weg van koe naar consument wordt steeds langer. Voor de voedselveiligheid is het voor fabrieken alleen nog toegestaan om gepasteuriseerde melk te verwerken.
1932: Crisis zuivelwet. Door de economische depressie raakte de melkprijs in vrije val. Melkveehouders kregen van de overheid prijsgaranties voor hun producten.
1941: Standaardisatie melk. Er kwamen wettelijke bepalingen voor het vetgehalte in melk. Melk rechtstreeks van de koe heeft een hoger vetpercentage dan de melk in de supermarkt, dat komt doordat het vet in de zuivelfabriek wordt afgeroomd tot standaard vetpercentages voor volle, halfvolle en magere melk.
1959: Invoering Melktankvervoer (RMO). Vervoer in melkbussen maakt steeds vaker plaats voor gekoelde tankwagens. De koeling zorgde ervoor dat de melk langer houdbaar bleef. Ook de hygiëne en efficiëntie van het transport verbeterden.
1980: Afschaffing melkbus. Ook op de boerderij zelf wordt steeds vaker gebruik gemaakt van gekoelde tanks. De melkbus, jarenlang hét transportmiddel voor de melk, wordt steeds minder gebruikt en verdwijnt in de tweede helft van de 20ste eeuw zelfs helemaal van het toneel.
Navigeer zelf snel binnen de landbouw:
Of snel binnen de zuivel: